Het Hooggerechtshof aanvaard een uitspraak uitgesproken in het buitenland als bewijs van huwelijkscertificaat tussen twee personen, dit met betrekking tot de Wet van Buitenlanders en het bekomen van verblijfsvergunning. De Rechtbank beschouwd dat het geen gevolg heeft in Spanje maar dat het wel een aantoonbaar bewijs is om feiten aan te tonen.

De uitspraak van 20 juli 2016, gaat in op de aanklacht van de vrouw en gaat in tegen de uitspraak van Tribunal Superior van de Rechtbank van Madrid, die beschouwde dat een Pakistanese uitspraak- opgesteld in het Engels, zonder te vertalen, apostille en zonder te zijn gelegalizeerd – noch gehomologeerd en de doeltreffendheid ontbreekt in Spanje.

Echter, het Hooggerechtshof begrijpt dat “de homologatie van een uitvoerende titel of juridische uitspraak uitgesproken in het buitenland opdat deze zijn effect heeft in Spanje, wordt verward met de bewijskracht van een buitenlands document om een feit aan te tonen, in dit geval van een huwelijk dat geldig heeft plaatsgevonden tussen de persoon in kwestie en de gezinshereniger.”

Uitspraak

De ambassade van Spanje in Islamabad (Pakistan) had geweigerd om een visum af te leveren na het twijfelen van de echtheid van het huwelijkscertificaat, ondanks dat men een autorizatie hadden bekomen voor een tijdelijke verblijfsvergunning voor gezingshereniging. “Het document bracht in twijfel de echtheid dat de ambassade koesterde en welke was ingeschreven in het register, verwijzend hierbij de opwerping dat de reden van de weigering was van het aangevraagde visum”, gaf de Rechtbank weer.
Alhoewel men de waarde van aantoning aanvaardt, de uitspraak van het Hooggerechtshof weigert echter, dat de buitenlandse uitspraak kan uitgevoerd worden in Spanje.

“In dit geval, het probleem betreft niet de geldigheid van uitvoering van de uitgesproken rechtspraak door een derde staat, maar wel hierin de aangetoonde bewijskracht van het buitenlands document bij de rechtzitting”, geeft de rechter Córoba Castroverde, rechter van dienst.
Hierbij zeggend, dat de uitspraak ondersteunt de betrokkene die “alleen de bedoeling had om de echtheid aan te tonen van zijn huwelijkscertificaat in Pakistan, om hierbij aan te tonen dat er een wettelijk huwelijk was aangegaan en het land van oorsprong.”

Op deze manier, het Hooggerechtshof weigert het nodig zijn van een apostille of legalizering “voor welke men kan stellen dat men niet aan de voorwaarden zou voldoen  om een aantoonbare bewijskracht te hebben van een publiek document.”

Hoe dan ook, de uitspraakt onderstreept dat – daar deze niet bestreden was via administrieve noch in de dienst voor de Orde van Advocaten van de Staat in antwoord op de aanklacht – er geen redenen bestaan om de echtheid te betwijfelen en de aangetoonde waarde van de feiten aan te tonen, waarbij akkoord wordt gegaan met dit  beroep.

Scroll naar boven